Geplaatst in Onderwijs

Nationale Ouderendag 2

Op een druilerige zaterdagochtend sta ik met vier studenten van mijn Hoge School voor de grijze voordeur van meneer E. Wij komen vrijwillig zijn wens vervullen voor de Nationale Ouderendag: zijn tuin opknappen.

Even later sta ik met een grote snoeischaar in mijn hand in de achtertuin een reusachtige conifeer te bedwingen. Naast mij staat Wahid, één van mijn studenten, met een elektrische schaar te wankelen op een trapje om de toppen uit de bomen te zagen. In de voortuin staan nog twee ijverige studenten – zij schoffelen de grond alsof het niets is. De regen miezert zachtjes op onze hoofden.

Tussen het snoeien door vertelt Wahid mij zijn vluchtverhaal. Hij is op zijn tiende met zijn familie vanuit Iran naar Nederland komen lopen. Ik herhaal: komen lopen. Wekenlang is hij met zijn familie, in steeds wisselende groepen, via Turkije en Roemenië naar Nederland gewandeld.

Meneer E. luistert zwijgzaam op de achtergrond mee. We nemen al werkend de heg van de buurman ook nog even mee. De details van de reis schokken ons beiden. Ik word er stil van.

Als we tijdens een pauze thee drinken op de hoekbank van meneer E. vertelt hij ons schuchter over zijn jeugd in Amsterdam. Hoe hij in de hongerwinter is geboren en hij na de oorlog met zijn familie in een armoedige flat werd geplaatst. Hoe het sanitair daar regelmatig overliep en hoe hij iedere avond als kind dikke wandluizen over het afgebladerde behang zag kruipen vanuit zijn bed. Mijn studenten griezelen mee, al griezelen we ook een beetje van de waterkoker in de keuken van meneer E. die geen deksel heeft en ieder moment kortsluiting kan opleveren.

Bij thuiskomst kijk ik door het keukenraam naar binnen. Mijn zonen spelen aan tafel een spel – de oudste twaalf, de jongste bijna tien. Ik probeer me voor te stellen hoe het is om te leven in een huis met wandluizen of mijn huis te verlaten om duizenden kilometers met hen aan mijn zijde naar een veilig heenkomen te lopen. En ik ben dankbaar dat ik het mij slechts hoef voor te stellen.

Geplaatst in Onderwijs

Kerstspeech

‘Je moet me even helpen je oma te plagen’ zegt mijn vader tegen mijn zoon. We zitten op zaterdagmiddag in zijn kleine autootje, want hij heeft ons opgehaald op het station zodat we bij mijn ouders kunnen lunchen.

Of we het kerststuk op tafel wat extra konden prijzen. ‘Ik heb’, licht mijn vader aan mijn zoon toe, ‘met je oma samen in de kerk kerststukjes gemaakt, maar je oma vindt dat mijn kerststukje niet echt aan de regels van een kerststukje voldoet’. Ik zit al te schudden van het lachen, want mijn vader is een ‘stabiele’ (lees gezette) man met baard en bulderstem. De gedachte dat hij met zijn dikke vingers tussen allerlei bejaarde dames óók een kerststukje zit te maken werkt danig op mijn lachspieren. Ten tweede, ik zie direct mijn moeder voor me die mijn vader argwanend in het oog houdt, want mijn moeder houdt van mooi en klassiek en heeft een grondige hekel aan vreemde kerststukken op tafel.

‘Je oma’, gaat mijn vader verder, ‘vindt mijn kerststukje lelijk want ik heb er een rode boog en dennenappels in gedaan en blijkbaar hoort dat niet’. ‘En toen zei ze aan het einde van het kerststukjes maken waar iedereen bij was: nou Jack, die van jou zetten we dan wel op het balkon’.

En zo werd kerst vorige week al heel vrolijk ingeleid. Mijn zoon en ik hebben uiteraard direct bij binnenkomst het kerststuk van mijn vader, die toch op tafel was beland, enorm geprezen. Ik zei zelfs: nou, die zou ik wel willen hebben! ‘Prima’, zei mijn moeder, ‘we brengen hem deze week langs’.

En nu is het dus bijna kerstvakantie. Een jaar voorbij.

Een jaar waarin wij als docenten heel hard hebben gewerkt aan een nieuwe opleiding. Een jaar waarin we naar jullie, studenten, hebben geluisterd. Naar jullie persoonlijke verhalen: die vaak lastige school/werk/prive balans, je kinderen die ook nog aandacht willen, familieleden die ernstig ziek zijn, ouders die scheiden, hoe in hemelsnaam bij de zoveelste onvoldoende gemotiveerd te blijven en hoe om te gaan met je eigen problemen die soms zoveel plek innemen dat de opleiding naar de zijlijn wordt gedrukt.

Maar in dit jaar hebben wij vooral van jullie genoten. Want wat is er mooier dan studenten te zien groeien, sterker te zien worden, hun problemen te zien aangaan – kwetsbaar durven zijn, maar ook krachtig.

Dus ook al voel je je soms een mislukt kerststukje – laat jezelf niet op het balkon plaatsen maar zet jezelf lekker op de tafel. Jij mag gezien worden.

 

Geplaatst in Zien

Nationale Ouderendag

‘Belde u mij net?’. Ik sta voor een kleine 92-jarige oude vrouw met pientere ogen en korte zilveren haren die zo hard als haar rollator het toestond naar de deur is gesneld om die voor mij te openen. Ze geeft mij een zachte hand, haar andere hand op het karretje en kijkt me vorsend aan. Mevrouw G. doet mee aan de Nationale Ouderendag, een dag waarin vrijwilligers de kans krijgen om de wens van een oudere dame of heer te vervullen. De wens van mevrouw G. kwam via haar wijkwerker per email bij mij binnen: een dagje naar het strand graag.

Als ik mevrouw G. voor het eerst opbel blijkt dat ze inderdaad graag naar het strand wil, maar liefst niet in deze kou. ‘Het moet wel een beetje leuk blijven’. Samen lunchen wil ze wel, om eerst eens kennis te maken, wie weet of we het strandbezoek dan kunnen opschorten tot de lente.

Als ik bij haar binnenstap is het net alsof ik bij mijn grootouders binnenstap. De warme zoete geur van ramen die lang niet open zijn geweest, de gele vloerbedekking in woonkamer, kinderen en kleinkinderen die me aanstaren vanuit de lijstjes aan de wanden, kasten én bijzettafeltjes, het afdruiprekje in de keuken met een paar bordjes en kopjes voor dagelijks gebruik. Samen zetten we verse koffie – met een flinke dot zout in de filter. ‘Het is altijd even onwennig he, als je elkaar niet kent’ zegt ze, terwijl ik onhandig de saucijzenbroodjes uit mijn tas pluk.

Ze vertelt me hoe ze opgroeide in Amsterdam, met haar ouders en broertje. Hoe de oorlog begon toen ze zestien was. Over haar lidmaatschap van de sociaal democratische arbeiderspartij (‘Mijn moeder liep voor de oorlog rond met een speldje van een gebroken geweertje’) en hoe zij en haar man elkaar ontmoetten.

Ze vertelt hoe haar man na de oorlog werd uitgezonden naar Indië, voor drie jaar (!!), en hoe zij achterbleef met twee kleine meisjes. Dat hij terugkwam en er nog meer kinderen kwamen, maar dat er inmiddels twee gestorven zijn. Eén bij de geboorte en een dochter bij een auto-ongeluk. Hoe zij al meer dan dertig jaar weduwe is en al haar vrienden inmiddels gestorven zijn. Hoe druk iedereen het tegenwoordig heeft – ‘als ze zeggen: we komen binnenkort langs, dan streep ik het binnenkort maar even door’.

‘Bent u eenzaam?’ vroeg ik. Nee. Eenzaam was ze niet, haar familie zorgt goed voor haar. Maar tijd is schaars. En ze zou zo graag in de lente de zee even zien. En ik met haar.